Handelingen

Tilburg, Ringbaan West 300 - Margarita Maria Alacoque

Uit Reliwiki

Versie door Loekie (Overleg | bijdragen) op 23 mei 2009 om 22:30


Algemene gegevens
Genootschap : Rooms Katholieke Kerk
Gemeente : Tilburg
Plaats : Tilburg
Adres : Ringbaan W 302
Provincie : Noord-Brabant
Jaar ingebruikname : 1922
Huidige bestemming: kerk
Naam kerk : Margarita Maria
Architect : Bonsel, H.C.
Monument-status: rijksmonument
Inleiding

De kerk gewijd aan de H. Margarita Maria Alacoque werd tezamen met de pastorie in 1920-1922 gebouwd naar plannen van de Tilburgse architect H.C. Bonsel. Op 10 december 1922 werd de kerk door pastoor De Beer gewijd. De kerk was de eerste in Nederland die was gewijd aan Margarita Maria Alacoque die in 1920 was heilig verklaard.

De kerk is opgetrokken in deels Expressionistische, deels Romaniserende baksteenvormen, typerend voor het Interbellum. Wat opvallend mag worden genoemd is de wijziging in het oorspronkelijke ontwerp voor de kerk waarbij de eerder geplande houten kap werd vervangen door een ijzeren vakwerkconstructie. Wellicht was dit noodzakelijk voor het aanbrengen van het hoge paraboolvormige gewelf in het schip.

Een binnen het oorspronkelijke ontwerp opgenomen toren op de plaats van de huidige uitgebouwde kapel aan het linker deel van het portaal werd niet uitgevoerd.

In de jaren 1922 en 1925 werden aan de zijkant van het kerkterrein een omrastering en schansmuur geplaatst. In 1961 werd de sacristie een weinig gewijzigd. Op een onbekend moment werden de dakkapellen op het schip verwijderd waarbij in het schip tevens het legraam werd verwijderd en het schoon metselwerk geschilderd.

Omschrijving

Eenbeukige georiënteerde kerk onder hoog, steil opgaand zadeldak met op gelijke hoogte aansluitende transeptarmen, een lager aangezet polygonaal koor met kooromgang en aan de voorgevel een portaalbouw. De kerk is opgetrokken uit machinale baksteen en heeft een plint bestaande uit donkere handgevormde bakstenen. Alle daken zijn gedekt met romaanse pannen en worden beëindigd door middel van een bakgoot. Onder deze goot, rond het hele gebouw, een samengestelde tandlijst. Het schip is middels geprofileerde lisenen die aansluiten op de samengestelde tandlijst verdeeld in vijf traveeën. De eerste travee aan de westzijde sluit aan bij de uitgebouwde kapellen onder tentdak welke aansluiten op de portaalbouw. De overige traveeën worden ingenomen door een rondboogvenster met bakstenen middenstijl waarboven een oculus en, zoals bij alle vensters, een bakstenen afzaat, het geheel in een rondboogvormig spaarveld. De vensters van het schip bevatten figuratieve glas-in-lood vullingen. Tegen de respectievelijk derde en vijfde travee vanuit het westen een uitgebouwde biechtstoel onder schilddak.

De transepten bestaan uit drie traveeen met vensters zoals in het schip waarin figuratieve glas-in-lood vullingen, in de meest westelijke travee een eikenhouten paneeldeur onder rollaag. In de zijgevels van de transepten is slechts het rondboogvormige spaarveld aangebracht. De noklijnen van de zadeldaken met wolfseinden van de transeptarmen sluiten op een lagere hoogte aan op het dak van het schip. Opvallend bij de transepten is de trompachtige vulling bij de samenkomst van de hoeklisenen en de bakstenen sierlijst. Op de samenkomst van het noordertransept en de 'koortravee' is een lage kapel onder lessenaarsdak gebouwd (1943?) met daarin een paneeldeur. Het schip is voorbij de transepten nog ter grootte van een travee doorgetrokken waardoor gesproken kan worden van een koortravee. Hierin wederom een spaarveld, nu met een eenvoudig rondboogvenster waarboven een klein rond venster. De achtergevel van de koortravee bestaat uit een topgevel met uitgemetselde schouders waarvan die aan de zuidzijde overgaat in een hoge slanke schoorsteen. De gevel, langs de noklijn voorzien van een brede gemetselde sierrand, wordt bekroond door een forse, open dakruiter met bakstenen basis en houten opbouw waarop een aan de voet geknikt steil tentdak, hetgeen wordt bekroond door een smeedijzeren kruis met weerhaan. Tegen de achtergevel een lager aangezet vijfzijdig koor met kooromgang onder samengesteld dak waartegen voluutvormige steunberen. In het koor rondboogvormige spaarvelden waarin een klein rondboogvenster. In de omgang steeds twee diepliggende rondboogvensters welke via een veld met verticaal gemetselde bakstenen verbonden zijn met eronder liggende rechthoekige, nu door middel van schotten gedichte keldervensters. De voorgevel van de kerk, in de vorm van een door een bakstenen kruis bekroonde topgevel met uitgemetselde schouders, wordt gedomineerd door een samengestelde ingangspartij waarboven een in een diepe rondboogvormige nis geplaatst halfrond venster met eenvoudige verticale baksteentracering. De diepe nis is afgesloten door een gemetselde balustrade waarin vierkante uitsparingen. Boven de nis een uurwerk in een gemetselde achtpuntige ster. De ingangspartij bestaat uit twee, op de hoeken van het schip geplaatste, lager aangezette en uitgebouwde kapellen waartussen een portiek. De kapellen worden, evenals het schip en de transepten, geleed door middel van lisenen. De liseen in het midden van de zijgevels van de kapellen sluit aan op de uitgemetselde schouder van de hoog oprijzende voorgevel. De kapellen hebben aan de voorzijde van deze schouder een zadeldak met wolfseinden. Achter de schouders een lessenaarsdak. De kapel aan de linkerzijde is van een groter formaat dan die aan de rechter zijde en heeft in de asymmetrische zijgevel twee traveeën met rondboogvensters. Aan de voorzijde een gedeelde paneeldeur onder bakstenen latei in een rondboogvormig spaarveld. Het boogveld wordt ingenomen door een mozaiek voorstellende de Mater Amabilis van de hand van Piet Gerrits (1927). In de rechter zijgevel van de kapel aan de rechterzijde van het portaal in de eerste travee een rondboogvormig spaarveld met twee smalle rondboogvensters waarboven een oculus. In de tweede travee een rondboogvenster met rechts daarvan twee boven elkaar geplaatste oculi en een opgeklampte deur onder rondboogvormig spaarveld. In de voorgevel een paneeldeur in rondboogvormig spaarveld met in het boogveld een mozaiek voorstellende Johannes de Doper vervaardigd door Frans Mandos (1940). Het portiek heeft drie gekoppelde rondboogvormige doorgangen, de middelste groter dan de belendende en bekroond door een fronton met bakstenen kruis, de bogen rustende op bakstenen kolommen met een eenvoudige, kapiteelachtige ondersteuning van de bogen. In het verlengde van de bogen drie paneeldeuren, de middelste gedeeld, onder een bakstenen latei waarboven een rondboogvormig bovenlicht met verticale bakstenen tracering. In het portiek aan elke zijde een doorgang met paneeldeur. Het portiek heeft koepelgewelven op pendentieven. Het portiek is toegankelijk via een brede, meertredige opgang. Het interieur wordt gedomineerd door het hoge paraboolgewelf in het schip. Tegen de zijwanden van het schip, verdeeld in vier traveeen gemetselde lisenen waartegen zandstenen apostelbeelden. Aan de bovenzijde kragen de lisenen uit middels bakstenen siermetselwerk en ondersteunen segmentbogen, in het transept rondbogen, die de traveeën overspannen. Aansluitend op de transeptarmen een transversaalboog met daarachter een zeer smalle koortravee waarin een gemetseld gewelf. Het koor is van het schip gescheiden door middel van een triomfboog die wordt gedragen door met motieven gesierde bakstenen pijlers. In de aanzet van de pijler aan de zuidzijde de 'eerste steen' met opschrift 'OP HET FEEST VAN HET ALLERH. HART VAN JESUS / 3 VI 1921 / WERD DEZE EERSTE STEEN GELEGD DOOR / W.J. DE KLIJN, PASTOOR / EN DE KERKREGENTEN / J. JANSSEN. L. GOIJAERTS. / J. V. ROESSEL. F. VONK DE BOTH.. In het koor een half meloengewelf en in de rondboogvensters moderne glas-in-lood vullingen. Koortravee en koor hebben een drietredige verhoogde travertijnen vloer. De rondboogvormige doorgangen naar de kooromgang, met schuin plafond, zijn in 1961 geopend. Vanaf het schip zijn in de muur van de kooromgang twee rondboogvormige openingen aangebracht.

De transepten omvatten drie traveeën, aan de zuidzijde in de derde travee naar het oosten de gedeelde deur naar de sacristie welke in 1961 werd gebouwd.

In de westgevel een rondboogvormige orgeltribune met gemetselde balustrade met openingen onder keperboog, het geheel op bakstenen consoles.

De vensters van het schip zijn gevuld met figuratieve glas-in-lood vensters van de hand van P. Clijsen (1948): de verschijning van het H. Hart aan M. Alacoque; de Annunciatie; het H. Huisgezin; het sterfbed van Jozef; de verrezen Christus verschijnt aan Maria; Noli me tangere; de Hemelvaart en tenslotte het sterfbed van M. Alacoque. Onder de voorstellingen banderolles met de beloften aan het H. Hart. In de pijlers, versierd met geometrisch metselwerk, zijn zandstenen beelden opgenomen, voorstellende de twaalf apostelen, van de hand van Toon van Eijndhoven en L. Petit (1934). De voorhal, met vlakke zoldering, is van het schip gescheiden door ronde bogen. Aan de noordzijde van de hal een dagkapel met vlakke zoldering en in de muur naar de hal onderbroken door rondboogvormige openingen gevuld met siersmeedwerk. Op de vloeren van de kerk geelkleurige plavuizen. De stalen, geheel geklonken vakwerkconstructie waarop het dak rust bestaat uit schuingeplaatste vakwerkliggers, waarop de dakschilden rusten, die aansluiten op een hoofdgestel in de nok van het dak. Het komt overeen met een vakwerkboogspant.

In de dagkapel een levensgroot mozaiek voorstellende de verschijning van het H. Hart aan M. Alacoque van de hand van Piet Gerrits. De geschilderde kruisweg bestaat uit veertien panelen, eveneens door Piet Gerrits (1926-1927). De kerk bezit drie sedilia ontworpen door de architect Kropholler (ca. 1930-1940).

In de sacristie een aquarel van de hand van architect H. Bonsel met een zicht op het interieur van de kerk.

Waardering

Het object is van algemeen belang wegens de cultuurhistorische waarden welke tot uitdrukking komen in het belang van het object als voorbeeld van een katholieke volkskerk uit het interbellum. Het object is tevens van belang vanwege de architectuurhistorische waarden door de plaats die de kerk inneemt in het oeuvre van de architect H.C. Bonsel. Het is een zeldzaam werkstuk binnen een oeuvre dat vooral bestaat uit industriële objecten.

Het object is van belang wegens de zeldzaamheid door de typologie, zijnde een eenbeukige kerk van dergelijk formaat en, hiermee samenhangend, vanwege de bouwtechnische aspecten door de toepassing van vakwerkliggers voor de dakconstructie.

MIP omschrijving (MIP nummer: RT109-003721)

Naam monument

H. Margarita Maria Alacoque

Bouwperiode

Van: 1922 tot: 1922

Gevels en materialen

Baksteen, kruisverband. Rondbogige loggia en kapelingangen. Siermetselwerk in de bogen. Lisenen, sparvelden met bloktandlijsten. Koor heeft gezwenkte steunberen.

Vensters en deuren

Rondboogvormige vensters met baksteenomlijstingen. Paneeldeuren.

Dak en bedekking

Zadeldak. Transepten hebben steekkappen. Dakruiter met klokketorentje. Rodeopnieuw verbeterde Hollandse pannen.

Bijgebouwen

Tympanen boven doop- en devotiekapel bevatten mozaieken van Piet Gerrits (1927) en Frans Mandos (1940). Bakstenen muur loopt langs de zij- en achterkant van de kerk.


Bijzonderheden

Kerkgebouw met front met loggia, doop- en devotiekapel en galerij. Korte bredetansepten, vijfzijdig gesloten koor met omgang.

Omschrijving

Voorgevel heeft grote halfcirkelvormige nis met galerij en venster.